ࡱ> mol FbjbjMFMF/,/,>   <00000000:<<<<<<=z<00004<.00Q...800:.0:...u2@P.. g0.....000  :  NEDERLANDSCHE CATECHISMUS DER OUDE DINGEN Onderwijs in de cultuurhistorische leer Vraag 1: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Abtwoord: Dat alles wat er door mensenhanden ontstaan is, ja zelfs de krant van gisteren, cultuurhistorie is. Dat we zodoende overal nostalgisch over kunnen worden, niet om wat het is, maar door de periode waarin het gemaakt is, die in de loop van de tijd vanzelf gedealiseerd zal worden. Dat door veranderende sociaal maatschappelijke en fysieke context de grootst mogelijke ellende na verloop van tijd karakteristiek en vervolgens gekoesterd zal worden. Vraag 2: Wat moet u weten om door deze troost gelukkig te leven en te sterven? Antwoord: Ten eerste hoe groot onze ellende is. Ten tweede hoe we van deze ellende verlost worden. Ten derde hoe we dankbaar moeten zijn voor zon verlossing. HET EERSTE DEEL Onze ellende Vraag 3: Waaruit kent u uw ellende? Antwoord: Uit de hedendaagse ruimtelijke ordening, de ontevredenheid van de bevolking en de wanhoop der ontwerpers. Vraag 4: Waaruit bestaat die ellende? Antwoord: Uit een van de moedelooste ellendigheden: verveling. De voornaamste kritiek die de ruimtelijke ordening in Nederland heeft gekregen is dat alles hetzelfde is. Vraag 5: Waaruit kent u de wanhoop der ontwerpers? Antwoord: Uit de oneindige serie workshops, debatten, congressen, artikelen en discussies waarin de vraag gesteld wordt hoe we met de cultuurhistorie om moeten gaan, over identiteit, en voornamelijk uit de radeloze ontwerpen die uiteindelijk hieruit voortvloeiend gerealiseerd worden. Vraag 6: Wat eist het volk van ons? Antwoord: Stedenbouw met een sterke identiteit. Vraag 7: Hoe denken we dat voor elkaar te krijgen? Antwoord: Met de cultuurhistorie. HET TWEEDE DEEL Onze verlossing Vraag 8: Wat moeten ontwerpers met de cultuurhistorie? Antwoord: Een ontwerper moet niets Vraag 9: Wat kan een ontwerper met de cultuurhistorie? Antwoord: Alles Vraag 10: Wat wil een ontwerper met de cultuurhistorie? Antwoord: Het doel bereiken wat voor ogen staat: de kwaliteit van het ontwerp verhogen, de cultuurhistorie is dus een middel. Vraag 11: Zijn hier uitzonderingen op? Antwoord: Ja, in uitzonderlijke gevallen is het doel; preservering van de cultuurhistorische objecten [doel in plaats van middel] Vraag 12: Wat is kwaliteit? Antwoord: Wat kwaliteit is volgens de gebruikers Vraag 13: Welke objecten vallen in de smaak? Antwoord: Dat verschilt per tijd en per plaats. Vraag 14: Hoe voorspellen we die smaak? Antwoord: De evolutie van die smaak is grotendeels onvoorspelbaar Vraag 15: Kunnen we concluderend dan niets met oude objecten omdat we de smaak niet voorspellen kunnen? Antwoord: Jawel, zelfs met dingen die niet zo in de smaak vallen, kan een ontwerper vaak iets. De kubisten maakten schilderijen van oude kranten. Die oude kranten vielen niet in de smaak, de schilderijen wel. Hedendaagse kunst is vaak gemaakt van afval. Vraag 16: Wat betreft oude dingen die onder de grond zitten? Antwoord: Deze zijn moeilijker in een ontwerp te gebruiken, vooral als ze onder de grond moeten blijven. En uitgesproken niet-monumentaal zijn. Vraag 17: Van wie moet het onder de grond blijven? Antwoord: Van archeologen die hun houvast vinden aan het minimale wat ze hebben en nooit meer kwijt willen raken. Vraag 21: Kunnen onzichtbare dingen aanleiding geven tot educatief interessante plaatsen bovengronds? Antwoord: In zeer uitzonderlijke gevallen. Het volk wil hier en daar opgevoed worden. Meestal echter niet, dat geldt ook voor zichtbare dingen. Slechts enkelingen willen de hele tijd opgevoed worden door experts en ambtenaren. Een klein deel van de bevolking wil dagelijks een streekmuseum, archeologisch museum of een opgraving bezoeken, nog een kleiner deel van die bevolking wil stad en land met verklarende bordjes gemusealiseerd en gepedagodiseerd zien. Vraag 18: Dus zichtbare dingen zijn beter bruikbaar in een ontwerp? Antwoord: Ja, vooral als ze aanspreken als historisch object of omdat de ontwerper het object kan gebruiken om een groter geheel aantrekkelijker te maken. Dat grotere geheel kan soms als een historische plek gezien worden. Vraag 19: Is dat de meest gangbare manier van beleving? Antwoord: Nee, meestal valt het object in een andere categorie die gewaardeerd wordt (bvb park) en waarmee een bepaalde vormentaal geassocieerd wordt. Welke categorien en welke vormentaal gewaardeerd worden is afhankelijk van modes. Vraag 20: Zijn modes toevallig? Antwoord: Modes vallen achteraf te verklaren uit een veeltal aan omstandigheden die voedingsbodem voor die mode vormden, soms eenvoudiger, soms ingewikkelder. De rol van toeval hoe deze omstandigheden samenkomen en tot de bepaalde mode leiden is niet gering. Zodoende is ze moeilijk onvoorspelbaar. Wel is duidelijk dat modes veelvuldig terugkomen. Modes worden hergebruikt, uit nostalgie, uit besef dat destijds het kind met het badwater is weggegooid, of omdat in de nieuwe context een oude mode (in aangepaste vorm) perfect tot zijn recht komt. Vraag 22: Moet een landschap leesbaar zijn? Antwoord: Niets moet, maar het kan in veel gevallen wel gelukkiger maken. Leesbaar kan echter veel omvatten: er is een verschil tussen de leesbaarheid van een kinderboek of van een oude, dode taal op vervallen perkament. Beide zijn leesbaar, het n kost echter veel meer moeite dan het andere. Dat wil niet zeggen dat het n beter is dan het andere; de voldoening bij een kind is groot bij het lezen van de eerste, van een ander juist als hij de tweede heeft ontcijferd. Als laatste is een leesbaar landschap iets anders dan een voorgelezen landschap. Dit zal op den duur zelfs de armste van geest gaan irriteren. Vraag 23: Is de geschiedenis in een ontwerp leesbaar te maken? Antwoord: Wat er zichtbaar gemaakt wordt is een fragment van de geschiedenis van de plek. Naar die geschiedenis wordt dus altijd onvolledig verwezen. De historische verwijzing is noodzakelijk selectief. Vraag24: Wanneer is een ontwerp historisch verantwoord? Antwoord: Als het ontwerp verantwoord wordt, altijd dus. De nadruk dient te liggen op historisch verantwoord. Een ontwerp kan namelijk op allerlei wijzen verantwoord worden. Het verantwoorden is het uitleggen waar de motieven, aanleidingen, principes of concepten vandaan komen. Dit doet de ontwerper om aan anderen en zichzelf aannemelijk te maken dat het ontwerp een succes gaat worden; Elk uitgelegd ontwerp is verdedigd met meer of minder overtuigende succesverhalen van elders uit het (recente of verre) verleden en is dus op een historische wijze verantwoord. De toevoeging historisch zou aan de term verantwoord toegevoegd kunnen worden om te benadrukken dat de ontwerper de referenties uit een ver verleden haalt. Vraag 25: Wanneer is de uitleg bij een ontwerp historisch verantwoord? Antwoord: Als de uitleg over de geschiedenis van een plek of gebeurtenis juist is. Dit is zeer moeilijk, maar bovenal: deze uitleg is altijd selectief en gekleurd, en naarmate de ouderdom stijgt wordt de informatie doorgaans onnauwkeuriger. Vraag 26: Is een historisch verantwoord ontwerp moreel verantwoord? Antwoord: Een ontwerp is a-moreel. De ontwerper, de ideen die aan het ontwerp te grondslag liggen of de gebruikers kunnen (im-)moreel worden geacht. Een beslissing is nooit moreel juist omdat zon beslissing in het verleden al eerder gemaakt is. Hoogstens kan dit als traditioneel beschouwd worden en daar kan men aan hechten. Een ontwerp als moreel verantwoord doen voorkomen omdat de referenties uit een ver verleden worden gehaald is misleidend, en wordt daarmee als immoreel beschouwt. De vele pogingen die er zijn om zulks wel te doen is tekenend voor de radeloze onmacht waarin veel ruimtelijke ordenaars verkeren. Vraag 27: Leidt een historisch verantwoord ontwerp tot een wetenschappelijk verantwoord ontwerp? Antwoord: Een ontwerp is niet wetenschappelijk te verantwoorden. Een ontwerper kan gebruik maken van wetenschappelijk verantwoord geachte gegevens, maar ontwerpen is geen wetenschap. Ontwerpen kan gezien worden als op wetenschap gebaseerde kunst. Vraag 28: Is de identiteit door de selectiviteit in historische verwijzing dan onvolledig? Antwoord: De identiteit van een plek staat niet gelijk aan de verwijzing naar het volledige verleden van een plaats. Mensen kennen identiteiten toe aan een plek, die identiteiten hebben iets te maken met het verleden, maar kunnen ook verbonden zijn met een bepaalde sfeer, niet noodzakelijk met oude objecten. Vraag 29: Bestaat er dan wel een identiteit? Antwoord: Er bestaan slechts toegekende identiteiten. Daarin zitten vaak overeenkomsten bij verschillende (groepen) mensen. De identiteit van een landschap is zoals die van een mens: het is wat die mens is in de ogen van de anderen, behalve als de persoon het zelf mag zeggen. Het landschap kan dat laatste niet. Vraag 30: Hoe bepalen de anderen die identiteit? Antwoord: Dat verschilt zelfs per persoon. Op vakantie worden bvb de dingen anders bekeken als in de dagelijkse omgeving; de criteria van beoordeling liggen anders. De maatschappelijke, fysieke en persoonlijke context bepaald de toegekende identiteit, zelfs de eerste indruk kan doorslaggevend zijn. Vraag 31: Wat s een identiteit? Antwoord: Hoe een karakter en verschijningsvorm onderscheiden worden als kenmerkend voor een eenheid tov andere eenheden. Vraag 32: Hoe wordt een karakter onderscheiden? Antwoord: Door analyse van reacties op gebeurtenissen. Het karakter is die factor die een actie (vaak van buitenaf) omzet in een re-actie. Aan de manier waarop verschillende eenheden een soortgelijke actie omzetten in een verschillende re-actie wordt een karakter onderscheiden. Vaak leidt dit tot zichtbare artefacten. Vraag 33: Zjn deze artefacten de identiteit? Antwoord: Nee. De artefacten uit het verleden vormen restanten van hoe het karakter van de eenheid zich in het verleden gemanifesteerd heeft. Ze kunnen afhankelijk van de selectie meer of minder behulpzaam zijn om dat karakter af te leiden. Vraag 34: Dragen deze artefacten bij aan de identiteit? Antwoord: Jazeker wel. Ze zijn een gedenkteken van het verleden van de eenheid, kenmerkend voor diens karakter en onderdeel van de huidige verschijningsvorm. Daarmee zijn ze fysiek geworden gebeurtenissen, kenmerkend voor de ontstaansgeschiedenis en een aanknopingspunt voor mijmeringen en nostalgie. Vraag 35: Hoe kunnen we zon onderscheiden karakter gebruiken? Antwoord: Door op een karakteristieke eigen manier op de nieuwe omstandigheden die zich vanuit de wereld aandienen te reageren. Vraag 36: Zijn we geneigd dat te verwaarlozen? Antwoord: Ja. De stedenbouw gaat bij uitbreidingen nog bijna altijd uit van een tabula rasa planning. Het bestaande landschap wordt uitgewist voor een nieuwe, vervolgens worden enkele oude artefacten onder de modder vandaan gevist om de vlag op die modderschuit te spelen. Vraag 37: Waar komt deze neiging vandaan? Antwoord: Ze is een gevolg van de modernistische stedenbouw. Deze had tot doel de geschiedenis uit te wissen en een universele uniforme droom daarvoor terug te bouwen. Vraag 38: Zijn we ons hiervan bewust? Antwoord: Meestal niet. De droom heeft langzamerhand plaats gemaakt voor een diepgewortelde angst dat bouwactiviteiten de wereld per definitie vernietigen. Deze houding is diep doordrongen in ons planningssysteem. Zodoende worden de minst waardevolle locaties gezocht om onze nieuwe steden te bouwen. De enige aanleiding om te bouwen is meestal het al in de buurt aanwezig zijn van stad. Vraag 39: Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goed en uit op elk kwaad? Antwoord: Neen, maar dat willen we, verslagen van hart als we zijn, maar wel al te graag geloven. Vraag 40: Waar leidt dit toe? Antwoord: Triest genoeg tot het uitkomen van de angstdroom, zodat deze bevestigd wordt. Vraag 41: Zijn de bouwlocaties dan zo oninteressant? Antwoord: Volstrekt niet, 10 miljoen Nederlanders wonen in een potentieel Veneti. Deze omstandigheden worden echter weggepoetst onder meters zand. Vraag 42: Wat kan de rol van de cultuurhistorie hier dan zijn? Antwoord: Het op een karakteristieke manier bouwen aan dit unieke landschappelijke gegeven s onze cultuurhistorie. De oplossing wat betreft identiteit wordt echter gezocht in cultuurhistorische objecten. Deze zijn echter juist vanwege het bouwen op de minst waardevolle locaties nauwelijks te vinden zijn, hetgeen dit nog verder bemoeilijkt. Vraag 43: Draagt het benadrukken van deze minimale cultuurhistorische / archeologische objecten altijd bij aan de kwaliteit van de omgeving? Antwoord: Nee. Teveel aandacht is genant. Daarmee worden verwachtingen geschept die onmogelijk waar gemaakt kunnen worden. Talenten gebruiken is mooi, overmatig gebruik kan makkelijk tot prostitutie verworden. Vraag 44: Maar worden plaatsen waar nadrukkelijk gebruik gemaakt wordt van de geschiedenis dan niet altijd positief beoordeeld? Antwoord: Nee, de meeste plaatsen worden eerst genterpreteerd in categorien van gebruik, en beoordeeld op hun geschiktheid voor dat gebruik, niet op de kwaliteit van de historische verwijzing. Vraag 45: Maar worden ze vervolgens daar dan niet wel op beoordeeld? Antwoord: Verwacht als ontwerper niet al te veel van het interpretatievermogen van de gebruiker; zelfs als dat ontwikkeld is, staat het vaak uitgeschakeld, wegens gerichtheid op iets anders. Vraag 46: Heeft de categorisering van plaats en object veel invloed? Antwoord: Ja, plaatsen en objecten die niet meteen gecategoriseerd kunnen worden, roepen onrust en irritatie op, en worden snel als kunst beoordeeld? Vraag 47: Dat is toch positief? Antwoord: Geenszins, want onder kunst in de openbare ruimte wordt vaak weggegooid overheidsgeld met ondoorzichtige bedoelingen verstaan. Historische verwijzingen met behulp van kunst worden meestal als kunst herkend en als dusdanig beoordeeld; niet als historische verwijzing. Dit betekent dat alle evoluties en associaties van kunst binnensluipen in de interpretatie van het historiserende ontwerp. Wees daarom voorzichtig met historiserende en opvoedende kunst in de openbare ruimte. Vraag 48: Voorzichtig? Antwoord: Verwacht niet teveel van de historische verwijzing. Een park blijft een park. Ook met een kunstwerk. Zelfs als dat gaat over graaf Floris XXX. Voorzichtigheid is tevens geboden bij experimenten met ruimtes waar je als ontwerper nog een nieuw type mens bij moet verzinnen. Vraag 49: Maar voorzichtig? Antwoord: Wat betreft het verwachtingspatroon van de interpretatie! Dit wil volstrekt niet zeggen dat voorzichtig ontworpen moet worden. Interpretaties van een plek zijn discontinu, onvoorspelbaar, ze vertonen snelle en trage verschuivingen, binnen een cultuur, binnen een groep, binnen een persoon. Denk daarom als ontwerper niet dat je de ideale historische verwijzing ooit gevonden hebt. HET DERDE DEEL Onze dankbaarheid Vraag 50: Wat moeten we met de cultuurhistorie? Antwoord: We moeten niets Vraag 51: Hoe kunnen we omgaan met de cultuurhistorie? Antwoord: Op oneindig veel manieren. Vraag 52: Wat willen we met de cultuurhistorie? Antwoord: De kwaliteit van het ontwerp verhogen. Dat kan op velerlei manieren. We kunnen dankbaar zijn vanwege de verlossing van het loodzware juk van pseudo-wetenschappelijkheid en moraliteit waarmee de cultuurhistorie is opgezadeld. Er zijn geen regels of hogere machten die namens de cultuurhistorie bepalen wat we wel of niet moeten doen met het verleden. Dit biedt de mogelijkheid om haar eindelijk ongeforceerd tot haar recht te laten komen in het ontwerp. Dr. Ir. Kristof Van Assche en Ir. Harro de Jong zijn als universitair docent verbonden aan de leerstoelgroep Landgebruikplanning resp. landschapsarchitectuur aan de Wageningen Universiteit. Dit artikel is o.a. gebaseerd op een onderzoek dat zij deden getiteld: Symboliek van onzichtbare landschappen, Wageningen 2003. Van de hand van Kristof Van Assche verscheen onlangs het proefschrift Signs in Time. Wageningen, 2005. *+T U b BI!!!!####$$)%/%K%P%'B9B\DbDDxFFFFhSOJQJ^Jh'OJQJ^Jh'6CJOJQJ]h'CJOJQJh'OJQJh'%*+STUT U C D E U b c " "#Gwx v^`vx'JKJKrBCp   v^`v trs@AtN^=>v`a;<{FG v^`vR"S""####@&A&&''',)-)Z)***+++,,,,.. v^`v.1.#/$/\/000I1J1y1222^3_33 5 5t5555M6N6677W7 v^`vW788=9:::S;T;;X<Y<<6=7=W=??@?W?r@s@@BBB'B9B:BjB v^`vjBBBBBBCDDDFFFFFFFFFFFF v^`v. A!"#$%666666666vvvvvvvvv666666>6666666666666666666666666666666666666666666666666hH6666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666666662 0@P`p2( 0@P`p 0@P`p 0@P`p 0@P`p 0@P`p 0@P`p8XV~_HmHnHsHtH:`: Normaal_HmHsHtH8@8 Kop 1$@& CJOJQJN@N Kop 2$v@&^`v5CJOJQJ\LA L Standaardalinea-lettertypeZiZ 0Standaardtabel :V 44 la .k . 0 Geen lijst fC@f Platte tekst inspringenv^`v CJOJQJjR@j Platte tekst inspringen 2^` CJOJQJPK!K[Content_Types].xmlj0Eжr(΢]yl#!MB;BQޏaLSWyҟ^@ Lz]__CdR{`L=r85v&mQ뉑8ICX=H"Z=&JCjwA`.Â?U~YkG/̷x3%o3t\&@w!H'"v0PK!֧6 _rels/.relsj0 }Q%v/C/}(h"O = C?hv=Ʌ%[xp{۵_Pѣ<1H0ORBdJE4b$q_6LR7`0̞O,En7Lib/SeеPK!kytheme/theme/themeManager.xml M @}w7c(EbˮCAǠҟ7՛K Y, e.|,H,lxɴIsQ}#Ր ֵ+!,^$j=GW)E+& 8PK!>Ktheme/theme/theme1.xmlYMoE#V{oc'vGuرHF[xwfvg53NjHH8PTj%.H 3މǍ9㙏~8!悰WV|' I2jw+k'$JBDY ]G21@>GRKK"a$'nx$Y Q=~>~HYb3 eš## }{(rZ؎=?E|,|[3ۉb m1ŽU sGe+q I\*ܣh,=`}B3һO"ΐ6!/o+6YoC ]>VoDKeŴ[HF.'{q!!#L .;[JP;tH.ɁK-XSG@@"oI|!({[> Ҵ@ԛ1W8&ɛ86Φsyt 'z[xS;wtی-4N0rQy(NhWmo̮X[!''z,`0g4[GZL~DdԋP ;쪯Dz$ 8an]4ú:2BH dPH?sC+JVeJa1VUN-l]\gY+ I ф*ѕi8 CwiYgRL$B!6)KѬ%;_4AvBY0ȹiUߝ&{&QoԗL ?&Ԟ \ܕX=VTEݤ7UU{9 cH[HDƂ~&ʒ^Sv90z/V֠D5/ vjpYNviDp_ L<+ՠA_Agʄ6pC. l|3&6ge;k367Ԑ- C ?JHϏ$Rx}q]]NTT:($M#q~("aZ|ȷT+C-ᕨY- 峅 m(Wd.)+#nu!Y3k\yhwB9O>ߘ L9dY x#9IO/,:unPK! ѐ'theme/theme/_rels/themeManager.xml.relsM 0wooӺ&݈Э5 6?$Q ,.aic21h:qm@RN;d`o7gK(M&$R(.1r'JЊT8V"AȻHu}|$b{P8g/]QAsم(#L[PK-!K[Content_Types].xmlPK-!֧6 1_rels/.relsPK-!kytheme/theme/themeManager.xmlPK-!>Ktheme/theme/theme1.xmlPK-! ѐ'" theme/theme/_rels/themeManager.xml.relsPK] >FCx .W7jBFDEFGHIJ>>NRMO{$~$C%K%%%_1e1<<2>9>i>n>>)+SUSUBETUac!"!#FGvx&'IKIKqr  A C o p s t q s ? A s t M N ]^<>uv_a:<z{EGQS?A+!-!Y!Z!""""##$$$$$$&&0&1&"'$'['\'((((H)J)x)y)****]+_+++ - -s-t-----L.N...//V/W/00<1=12222R3T333W4Y4445575V5W5>7@7V7W7q8s888::&:':8:::i:j:::::::;;<<>>>@>@@UnknownGTimes New Roman5Symbol3 ArialMBangleCopperplate"q;&cF] 3n!r4db?3?'.0Wageningse Catechismusharro Harro de Jong Oh+'0 $ H T `lt|'Wageningse Catechismusharro Normal.dotmHarro de Jong26Microsoft Macintosh Word@n60@ @仵@ 3 ՜.+,0 hp  'eufraatnb? Wageningse Catechismus Title  !"#$%&'()*+,-./0123456789:;<=>?@ABCDEFGHIJKMNOPQRSTUVWXYZ[]^_`abcefghijknRoot Entry F2@p1TableLWordDocumentSummaryInformation(\DocumentSummaryInformation8dCompObj` F Microsoft Word 97-2004-documentNB6WWord.Document.8